HOMEPAGE

 

 

DR. CHRISTOPHE DE BLOCK

DR. CHRISTOPHE DE BLOCK
dienst DIABETOLOGIE, METABOLE ZIEKTEN EN NUTRITIEPATHOLOGIE

Horen dat je met diabetes type 1 door het leven moet, met de dagelijkse insuline-injecties en beperkingen die daarbij horen, is een harde dobber. Met de juiste medicatie, de nodige discipline en een flinke dosis gezond verstand kunnen type 1- diabetici nochtans een perfect normaal leven leiden. Dankzij de nieuwste behandelingsmogelijkheden en verbeterde toestelletjes voor zelfmonitoring van het bloedsuikergehalte, is zowat elke vorm goed onder controle te houden.

Wat?
Het kernprobleem van type 1-diabetes is een gebrek aan insuline. Insuline is een hormoon dat ervoor zorgt dat er suiker in de lichaamscellen kan worden opgenomen. Bij patiënten met type 1-diabetes produceren de betacellen van de pancreas in het geheel geen insuline meer, met als gevolg dat de lichaamscellen niet meer de nodige energie krijgen en er zich suiker opstapelt in het bloed. De ziekte uit zich meestal acuut, onder meer doordat de patiënt sterk vermagert, veel dorst heeft en vaak moet plassen.
Over de exacte oorzaak van type 1-diabetes is weinig bekend. Wel staat vast dat het een autoimmuunziekte is - een ziekte waarbij het afweersysteem zich tegen de eigen cellen keert -, waarbij erfelijkheid een rol speelt. Ook omgevingsfactoren, waaronder bepaalde virale infecties en voeding dragen vermoedelijk bij tot het ontstaan.

Diagnosestelling
De diagnose wordt meestal gesteld voor de leeftijd van 40 jaar, al is er geen strikte leeftijdsgrens.
'Patiënten zijn meestal erg onder de indruk als ze de diagnose krijgen', weet UZA-diabetoloog dr. Christophe De Block. 'Doorgaans is er een opname van vijf dagen nodig om de behandeling op punt te stellen. Tijdens zijn verblijf leren we de patiënt de belangrijkste zaken over zijn ziekte en therapie, elke dag een beetje meer zodat hij niet overdonderd raakt.'

Behandeling
Type 1diabetes is alleen te behandelen met insuline. Een strikte suikercontrole, waarbij de glycemie zo laag mogelijk wordt gehouden, is niet alleen belangrijk om de symptomen op korte termijn te onderdrukken, maar ook om latere complicaties te voorkomen.
Toch mogen de suikerwaarden ook weer niet te laag te zakken, want dan riskeert de patiënt een hypoglycemie of kortweg hypo.
'Typische symptomen daarvan zijn beginnen te beven of transpireren, een verminderd gezichtsvermogen, concentratiestoornissen en grote honger. Sommigen lijden aan hypoglycemia unawareness, wat betekent dat ze een hypo niet voelen aankomen. Die mensen kunnen plots neervallen of 's nachts in een coma raken', zegt De Block.

Insuline-inspuitingen
De meeste patiënten houden hun suikerziekte onder controle door zich dagelijks in te spuiten met insuline, drie keer voor de maaltijd, en nog een keer voor het slapengaan. Dat gebeurt met behulp van een insulinepen, die erg lijkt op een gewone pen. Vooraf meet de patiënt zijn glucosegehalte met een glucosemeter. Op basis daarvan kan hij eventueel de dosis aanpassen.
De insulinetherapie is er de laatste jaren sterk op vooruitgegaan. Tot voor enkele jaren werden de meeste patiënten behandeld met een combinatie van zogenaamde klassieke humane kort- en langwerkende insuline.
De Block: 'Vandaag beschikken we over ultra-kortwerkende en langwerkende insuline-analogen, met een aantal belangrijke voordelen. Doordat de kortwerkende vormen sneller worden opgenomen, kunnen patiënten ze ook na de maaltijd nemen, afhankelijk van hoeveel ze gegeten hebben. De kans op een hypo overdag is kleiner. De langwerkende vormen geven de insuline gelijkmatiger vrij, wat ook 's nachts de kans op een hypo vermindert.'

Inhaleerbare insuline
Een nieuwe therapie die zich nog in een onderzoeksfase bevindt, is inhaleerbare insuline, waarbij de patiënt gebruik maakt van een puf. Vooral mensen met prikangst zouden hiermee geholpen kunnen worden.
'Hoewel inhaleerbare insuline even veilig en efficiënt is als de klassieke inspuitingen, zijn er ook nadelen. Het middel is erg duur en heeft een aantal nevenwerkingen, waaronder een milde hoest en mogelijk een lichte achteruitgang van de longfunctie', aldus De Block.

Insulinepomp
Een 120-tal patiënten in het UZA gebruiken een insulinepomp. Dat is een toestelletje van amper 6 op 4 centimeter, dat de insuline in het lichaam brengt via een kathetertje in de buik. De pomp wordt zo ingesteld dat de insulinetoediening van uur tot uur is aangepast aan de noden van de patiënt. De Block: 'Een insulinepomp is aangewezen voor patiënten bij wie de suikerwaarden zodanig schommelen dat een gewone insulinetherapie niet volstaat. Ook zwangeren krijgen soms een insulinepomp, omdat het bij hen uiterst belangrijk is dat het glucosegehalte perfect onder controle blijft.'

Continue glucose monitoring
Bij sommige patiënten met een sterk wisselende suikerspiegel is het nuttig een heel precies beeld te krijgen van hun bloedsuikerwaarden. Regelmatige controles met een glucosemeter zijn dan niet genoeg.
'Aan die mensen stellen we continue glucose monitoring voor, waarbij hun suikerspiegel om de drie tot vijf minuten wordt gemeten door een toestelletje. Na twee of drie dagen bekijken we de resultaten. Daaruit vloeit vaak nuttige informatie, bijvoorbeeld op welk moment van de dag de suiker de hoogte in schiet. Op basis daarvan kunnen we het insulineschema aanpassen', legt De Block uit.

Controles
Is de diabetes eenmaal onder controle, dan hoeft de patiënt nog maar vier keer per jaar naar het ziekenhuis te komen: drie keer voor een gewone en een keer voor een doorgedreven controle. Bij de jaarlijkse uitgebreide controle wordt gezocht naar eventuele beginnende complicaties, zoals nierproblemen, hart- en vaatziekten en oogafwijkingen.
Hoe beter de patiënt zijn suikerwaarden controleert, hoe kleiner de kans dat hij vroeg of laat complicaties krijgt. Maar dat vraagt wel de nodige discipline. De patiënt blijvend motiveren en informeren is dan ook een belangrijke uitdaging voor de arts en het hele team.

© Universitair Ziekenhuis Antwerpen