§ 2. Rechten toegekend aan de patiënt door de wet van 22 augustus 2002
Voor het eerst worden in deze wet de volgende rechten van de patiënt vastgelegd.
2.1. Recht op kwaliteitsvolle dienstverstrekking
Iedere patiënt moet voortaan zonder enig onderscheid een goede, zorgvuldige en kwaliteitsvolle gezondheidszorg worden aangeboden.
Hieruit vloeit ook het respect voor de morele en culturele waarden en de religieuze en filosofische overtuigingen van welke aard ook, voort.
2.2 Recht op vrije keuze van de arts
Principieel wordt de patiënt het recht toegekend om zelf te kiezen op welke arts hij een beroep doet en om deze keuze te wijzigen.
Dit houdt ook in dat de patiënt vrij verschillende artsen achtereenvolgens mag contacteren om uiteindelijk een welbepaalde arts te kiezen met wie hij een individuele relatie wenst aan te gaan.
Soms is het omwille van praktische overwegingen niet steeds mogelijk om bij een behandeling tussenkomende artsen vrij te kiezen, (vb. er is maar 1 geriater binnen een ziekenhuis werkzaam) Het staat de patiënt in dergelijk geval steeds vrij om zich tot een ander ziekenhuis te richten.
Er dient opgemerkt te worden dat een arts niet verplicht kan worden een patiënt te behandelen. Het ligt voor de hand dat de arts de patiënt dan wel dient door te verwijzen naar een collega.
2.3. Recht op informatie over de gezondheidstoestand
De patiënt wordt voortaan het recht toegekend om informatie over zijn gezondheidstoestand te ontvangen en de vermoedelijke evolutie ervan. Deze informatie heeft ondermeer betrekking op de diagnose, op het gedrag dat in de toekomst wenselijk is enz..
De communicatie met de patiënt dient te gebeuren in een duidelijke taal waarbij rekening wordt gehouden met de individuele patiënt zoals zijn opleiding, leeftijd... Dit betekent echter niet dat elke patiënt het recht heeft om in zijn moedertaal te worden geïnformeerd.
In principe wordt de informatie mondeling verschaft. Ze dient daarna eventueel schriftelijk bevestigd te worden op vraag van de patiënt.
Uitdrukkelijk is voorzien in deze nieuwe wet dat de patiënt schriftelijk kan vragen dat de informatie ook aan een derde persoon wordt medegedeeld. Dergelijke persoon wordt dan een vertrouwenspersoon genoemd.
Bovendien heeft de patiënt het recht om te verzoeken dat de informatie niet aan hem wordt meegedeeld.(vb. de patiënt lijdt aan een ziekte die niet geneeslijk is) De patiënt kan in dergelijk geval vragen dat de informatie aan een derde persoon, een vertrouwenspersoon wordt meegedeeld.
Ten slotte kan niet alleen de patiënt, maar ook de arts zelf het initiatief nemen om de informatie niet aan de patiënt mede te delen. Dit kan echter slechts indien de volgende voorwaarden vervuld zijn :
- de informatie zou klaarblijkelijk een ernstig nadeel voor de patiënt meebrengen
- de arts moet een schriftelijke motivering toevoegen aan het patiëntendossier waarom hij de informatie niet mededeelt
Indien de patiënt echter een vertrouwenspersoon aanduidde, moet de arts aan die persoon de informatie meedelen.
2.4. Recht op toestemming
Het is steeds noodzakelijk dat de patiënt voorafgaandelijk en zonder dat er druk op hem wordt uitgeoefend zijn toestemming verleent voor de tussenkomst van de arts.
In beginsel dient de patiënt zijn toestemming uitdrukkelijk te geven. In het geval dat de arts uit de combinatie van de verstrekte informatie en de gedragingen van de patiënt de toestemming ondubbelzinnig kan afleiden, kan de toestemming geacht worden impliciet te zijn gegeven, (vb. de patiënt biedt zijn arm aan voor een spuitje)
De patiënt wordt door de nieuwe wet het recht toegekend om te vragen dat de toestemming of de weigering ervan schriftelijk wordt vastgelegd. Ook de arts kan dergelijke schriftelijke vaststelling vragen.
De patiënt kan enkel in een bepaalde tussenkomst van de arts toestemmen indien hij daaromtrent de nodige informatie heeft ontvangen. Deze informatie heeft in elk geval betrekking op het doel van de tussenkomst, de aard van de tussenkomst, de duur, de frequentie, de financiële gevolgen en de mogelijke gevolgen in geval van weigering van toestemming.
Er wordt voortaan aan de patiënt eveneens het recht toegekend om zijn toestemming te weigeren of in te trekken. Deze weigering of intrekking mag niet tot gevolg hebben dat de arts de patiënt zomaar aan zijn lot mag overlaten. De arts zal een alternatieve tussenkomst of een doorverwijzing moeten voorstellen. Bovendien zal de noodzakelijke hygiënische verzorging steeds moeten worden voortgezet.
In bepaalde gevallen van spoed (vb. de patiënt is in coma) kan de patiënt zijn toestemming niet meer geven. In dergelijk geval kan de arts onmiddellijk iedere noodzakelijke tussenkomst stellen in het belang van de gezondheid van de patiënt. Eventueel zal de arts in voorkomend geval, rekening houden met de voorafgaande wil van de patiënt of zijn vertrouwenspersoon.
Achtereenvolgens vertegenwoordigen volgende personen de patiënt:
2.5. Rechten in verband met het patiëntendossier
De patiënt beschikt over een rechtstreeks inzagerecht in zijn dossier. Dit betekent dat de patiënt steeds de mogelijkheid moet worden geboden om zelf het desbetreffend patiëntendossier in te zien.
De patiënt kan zich hiervoor laten bijstaan door een vertrouwenspersoon.
Bovendien kan de patiënt, indien hij dit zelf wenst, zijn inzagerecht laten uitoefenen door een persoon naar keuze.
Het recht op inzage is niet beperkt tot één enkele keer of een aantal keren, eventueel per jaar. Aan het op dit vlak onbeperkte recht op inzage moet door de arts bovendien onverwijld en ten laatste binnen de 15 dagen na ontvangst van het verzoek, gevolg worden gegeven.
De patiënt heeft niet alleen het recht zijn dossier in te kijken, hij heeft ook een recht op afschrift van het dossier of bepaalde elementen ervan. Dit recht op afschrift van het patiëntendossier, dat wordt uitgeoefend op dezelfde wijze als het recht op inzage, is gebonden aan het betalen van de werkelijke kostprijs van het afschrift.
In de nieuwe wet is wel voorzien dat de arts een afschrift kan weigeren indien de arts duidelijke aanwijzingen heeft dat de patiënt onder druk wordt gezet door derden (vb. door zijn verzekeraar of de werkgever).
Indien voldaan is aan de volgende voorwaarden kunnen zelfs nabestaanden van de overleden patiënt het patiëntendossier inkijken :
2.6. Recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer
Bij tussenkomst van de arts moet steeds de nodige intimiteit van de patiënt worden gewaarborgd. Daarom is het uitdrukkelijk bepaald dat bij de tussenkomst van de arts enkel die personen wiens
aanwezigheid beroepshalve vereist is, aanwezig mogen zijn. Dit zijn bijvoorbeeld de artsen in opleiding.
2.7. Het recht om klacht neer te leggen
De patiënt heeft voortaan het recht om een klacht in verband met de uitoefening van de rechten die hem door de nieuwe wet worden toegekend, neer te leggen bij een ombudsfunctie.
Deze ombudsfunctie heeft vooreerst als taak te bemiddelen bij klachten. De patiënt aldus aan te sporen om zelf contact op te nemen met de arts om alzo voor het probleem een oplossing te vinden. De ombudsfunctie kan U geenszins verplichten met de arts te communiceren.
Daarnaast kan de ombudsfunctie dus zelf contact opnemen met de desbetreffende arts met als doelstelling een oplossing te bereiken. Deze oplossing heeft wel geen bindend karakter ten aanzien van de patiënt.