HOMEPAGE

 

 

bETEKENIS

Wie komt in aanmerking?
Om in aanmerking te komen voor een ruilnier moet de nierfunctie van de patiënt gezakt zijn tot minder dan tien procent. De belangrijkste oorzaken van ernstig nierfalen zijn suikerziekte, aderverkalking, de nierziekte glomerulonefritis en de polycystische nierziekte, een erfelijke aandoening.
Vanwege het tekort aan donornieren worden alleen patiënten getransplanteerd die aan de nierdialyse zijn beland. Dat is een niervervangende therapie waarbij het bloed kunstmatig gezuiverd wordt.

Nierdialyse maar gedeeltelijke oplossing

Het merendeel van de nierdialysepatiënten ondergaat hemodialyse. In dat geval wordt het bloed met een bloedpomp langs een kunstnier geleid. De patiënt komt dan drie keer per week naar het ziekenhuis voor een behandeling van vier uur. Een andere mogelijkheid is peritoneale dialyse. Bij die vorm gebeurt de filtering van het bloed via het eigen buikslijmvlies, met als voordeel dat de therapie thuis kan gebeuren. De patiënt heeft wel permanent een katheter in de buik en moet dagelijks met zijn behandeling bezig zijn. Een kunstnier neemt de functie van de falende nieren weliswaar gedeeltelijk over, maar kan nooit de prestatie van een echte, gezonde nier evenaren.
'Dat komt doordat de nier niet alleen het bloed zuivert, maar ook een aantal belangrijke stoffen - waaronder natrium, calcium en kalium - in ons bloed in evenwicht houdt', legt Verpooten uit. 'Ze zorgt er ook voor dat het overtollige vocht in ons lichaam wordt afgescheiden. Vandaar dat dialysepatiënten een streng dieet moeten volgen en maar heel weinig vocht mogen innemen. Tenslotte speelt de nier ook een rol in de regeling van de bloeddruk en de aanmaak van rode bloedcellen. De nierdialyse kan maar een aantal van die zaken opvangen, en dan meestal nog maar gedeeltelijk. Met een donornier zijn al die problemen opgelost en hoeft de patiënt dus ook geen dieet meer te volgen.'

Lange wachttijd
Nog meer dan bij andere transplantaties is er een enorm tekort aan donororganen. In het UZA is een wachttijd van een jaar of langer niet uitzonderlijk.
'Een voordeel is dat de patiënt het zich kan veroorloven te wachten, aangezien hij zolang aan de dialyse kan blijven. Daardoor kunnen we ook iets langer uitkijken naar een geschikt orgaan. Aan een jonge patiënt geven we bijvoorbeeld geen nier van een 65-plusser. Een beperkt aantal mensen wordt getransplanteerd met een nier van een familielid. Voor hen is er dus geen wachttijd.'

Donornier gevoelig voor afstoting
De niertransplantatie is het experimentele stadium al lang voorbij. Na vijf jaar werkt 95 procent van de nieren nog behoorlijk. Toch houden de meeste donornieren het geen twintig jaar uit. Tien jaar is in feite al een gezegende leeftijd. 'Het grote probleem is dat de nier vrij gevoelig is voor afstoting, meer dan bijvoorbeeld de lever of het hart. In het begin kunnen we dit goed onder controle houden, maar op lange termijn is de afstoting vaak onomkeerbaar. Roken, een hoge bloeddruk en een te hoog cholesterolgehalte werken het probleem extra in de hand. Maar een van de medicijnen die transplantatiepatiënten moeten nemen, werkt nu net cholesterolverhogend. Het is niet gemakkelijk een evenwicht te vinden', aldus Verpooten.
Ook Cyclosporine, een afweeronderdrukkend geneesmiddel dat elke transplantatiepatiënt moet nemen, tast op de lange duur de donornier aan. De medische wereld is dan ook voortdurend op zoek naar een alternatief.
Als de nier wordt afgestoten, komt de patiënt in aanmerking voor een nieuwe transplantatie. Enkele patiënten in het UZA zijn al aan hun derde ruilnier toe.

Overleving en levenskwaliteit

De overleving na een niertransplantatie lijkt misschien niet spectaculair: na vijf jaar is nog 70 procent van de patiënten in leven, na tien jaar 50 procent.
'Maar die cijfers moet je in de juiste context zien', nuanceert Verpooten. 'Veel van onze patiënten zijn niet meer zo jong. En een patiënt van zeventig of ouder heeft nu eenmaal niet de levensverwachting van een dertigjarige. De overlijdens zijn dus lang niet altijd aan de transplantatie te wijten. Ik volg ook patiënten die in 1980 getransplanteerd werden en nog altijd gezond zijn.'
De meeste transplantatiepatiënten gaan zonder veel beperkingen door het leven.
'Ze kunnen opnieuw aan het werk of naar school. Zelfs kinderen krijgen is perfect mogelijk', aldus nog Verpooten.

Niertransplantatie bij kinderen
In Vlaanderen ondergaan jaarlijks een tiental kinderen een niertransplantatie, meestal nadat een aangeboren afwijking werd vastgesteld. In principe staat op de ingreep geen minimumleeftijd, al wordt bij de allerkleinsten geprobeerd om te wachten tot ze tien kilo wegen.
'Doordat kinderen voorrang krijgen op de wachtlijst, is de wachttijd voor hen iets korter dan voor volwassenen', zegt Koen Van Hoeck, UZA-kinderarts en nefroloog. 'Momenteel bedraagt die gemiddeld veertien maanden voor een orgaan van een overleden donor. Maar in zowat de helft van de gevallen biedt de vader of moeder een nier aan en kunnen ze dus sneller getransplanteerd worden.'
Een volwassen nier kan probleemloos bij een kind ingeplant worden. Grootte vormt zelden een hindernis, leeftijd soms wel: omdat de nier nog een heel leven mee moet, wordt uitgekeken naar een jonge donor. Dat kan de wachttijd verlengen.
Net als alle transplantatiepatiënten moeten kinderen met een donornier uitkijken voor infecties en uitermate gedisciplineerd hun geneesmiddelen nemen. Elke morgen en avond slikken ze twee tot drie soorten medicatie. Op langere termijn lopen ze meer risico op kanker en hart- en vaatziekten.
'De eerste maanden na de transplantatie zijn voor het kind en zijn ouders zwaar, doordat de kans op complicaties dan het grootst is en ze drie keer per week op controle moeten komen', vertelt Van Hoeck. 'Maar na zo'n negen maanden is het ergste achter de rug en kan de familie opgelucht ademhalen. Pas dan beginnen ze de vruchten van de transplantatie te plukken. Geen dialyse of streng dieet meer, opnieuw uit logeren of met vakantie kunnen gaan... Alleen al het feit dat het kind gewoon mee met de rest aan tafel kan eten, betekent heel veel. Veel patiëntjes zie je vanaf dan letterlijk en figuurlijk groeien

© Universitair Ziekenhuis Antwerpen