STANDPUNTEN VAN DE NATIONALE RAAD VAN DE ORDE VAN GENEESHEREN OVER TRANSPLANTATIE
Orgaantransplantatie
De Nationale Raad acht het nuttig de aandacht van het medisch corps te vestigen op een aantal aspecten van de nieuwe wetgeving betreffende het wegnemen en transplanteren van organen.
Na een gedachtewisseling, wordt onderstaand advies door de Nationale Raad uitgebracht:
In zijn vergaderingen van 21 maart en 11 april 1987 onderzocht de Nationale Raad van de Orde der geneesheren de op 14 februari 1987 in het Belgisch Staatsblad verschenen wet van 13 juni 1986 betreffende het wegnemen en transplanteren van organen. De Nationale Raad herinnert aan zijn op 20 oktober 1984 uitgebracht advies betreffende het post-mortem afnemen van organen met het oog op transplantatie. Dit advies dat U als bijlage vindt blijft volledig van kracht. Daarnaast acht de Nationale Raad het noodzakelijk in het licht van die wetgeving en complementair aan deze, de hierna volgende bijkomende deontologische richtlijnen te geven.
Essentieel is dat de geneesheren zich meer en meer bewust worden van de mogelijkheden van het transplanteren van organen om de noden van ernstige zieken te Ienigen en even belangrijk is dat zij er naar streven hun positieve ingesteldheid uit te dragen naar de gemeenschap om tot een maximale en actieve vorm van solidariteit te komen. De passieve toestemming, waarop de huidige wetgeving steunt, is slechts een noodoplossing en enkel door een voortdurende bewustmaking van de bevolking kan men tot de meest humane vorm van solidariteit komen, zijnde de actieve. Naast de taak voor de medicus erop te waken dat de mogelijkheden van de huidige wetgeving ten volle worden benut, behoort het eveneens tot zijn plicht de huidige wetgeving niet te misbruiken door excessieve ijver aan de dag te leggen.
Artikel 11 van de wet van 13 juni 1986 zegt dat het overlijden van de donor moet worden vastgesteld «door drie geneesheren met uitsluiting van de geneesheren die de receptor behandelen of die de wegneming of de transplantatie zullen verrichten». Dit is het cruciaal artikel van de wet en het ligt voor de hand dat alle voorzorgen moeten worden genomen om het door de wetgever gestelde vertrouwen in het medisch corps in te lossen en elke zweem van achterdocht die bij de bevolking zou kunnen bestaan, weg te nemen. Het is overduidelijk dat de wetgever een absolute onafhankelijkheid en vrijheid van beoordeling van de drie geneesheren beoogt. Het kan dus niet gaan om een team van drie geneesheren die samen een groepsbeslissing nemen, maar uitsluitend om een beslissing waarbij elk van de drie geneesheren zijn persoonlijke en volledige verantwoordelijkheid opneemt en dit op een volstrekt onafhankelijke wijze. Dit wil natuurlijk niet zeggen dat overleg is uitgesloten, maar betekent wel duidelijk dat elke vorm van beïnvloeding en elke vorm van directe of indirecte drukuitoefening, een ernstige deontologische fout is.
Bij de aanduiding van de drie geneesheren ware het wenselijk dat minstens één geneesheer geen deel zou uitmaken van de vaste ziekenhuisstaf. De praktische bezwaren en het tijdverlies die kunnen worden ingeroepen om op deze suggestie niet in te gaan, zijn moeilijk vol te houden in een land met een zo grote densiteit van geneesheren en zo kleine afstanden, en wegen niet op tegen de bijkomende waarborg van onafhankelijkheid en vrijheid van beslissing van de verantwoordelijke geneesheren.
Bij het wegnemen van organen na overlijden, is het verzet een delicaat probleem. Artikel 10 van de wet van 13 juni 1986 zegt dat de geneesheer niet tot wegneming mag overgaan wanneer verzet is uitgedrukt op de door de Koning geregelde wijze, wanneer de donor op een andere wijze verzet heeft uitgedrukt in zover daarvan aan de geneesheer kennis is gegeven en wanneer aan de geneesheer verzet is medegedeeld door een nabestaande, die de wet definieert als verwanten van de eerste graad alsmede de samenlevende echtgeno(o)t(e). Het is duidelijk dat de nabestaande geen toelating moet geven voor de wegneming van organen maar het is elementair dat hij van het voornemen wordt in kennis gesteld wanneer hem het overlijden wordt medegedeeld. Het is al even evident dat deze mededeling zo snel mogelijk moet gebeuren. Het betaamt dat de geneesheer bij die gelegenheid naar een eventueel verzet van de donor informeert daar het niet ernstig is enkel voort te gaan op de informatie die langs omwegen van het Rijksregister moet worden bekomen. De geneesheer begaat een ernstige deontologische fout wanneer hij niet de voor de hand liggende stappen onderneemt om kennis te nemen van een verzet vanwege de donor. Voorts is elke geneesheer die kennis heeft van een verzet van de donor, moreel verplicht dit mee te delen aan zijn collegae die de wegneming zullen verrichten.
Daar waar de wet duidelijk definieert welke nabestaande verzet kan uitdrukken, is het geraadzaam de gebruikte termen ruimer te interpreteren dan de strikt burgerrechtelijke omschrijving ervan. Wanneer de wetgever de feitelijk gescheiden levende echtgenoot uitsluit, is het evident dat de partner die met de overledene een duurzame vorm van samenleving had, inspraak dient te hebben.
Artikel 13 bepaalt de te volgen procedures bij gewelddadige dood en bij overlijden waarvan de oorzaak onbekend of verdacht is. In dit laatste geval kan de Procureur des Konings, die vooraf moet worden ingelicht, zich tegen wegneming verzetten. Het is algemeen aanvaard dat de bepaling van de doodsoorzaak een moeilijke aangelegenheid is en vooral, bij patiënten die onmiddellijk na de ziekenhuisopname overlijden. Het is niet aanvaardbaar dat de wet op de wegneming van organen, die verschillende procedures voorziet voor een natuurlijke, gewelddadige en verdachte dood, enige weerslag zou hebben op de vermelding van de doodsoorzaak. In dit verband weze opgemerkt, dat wanneer een ernstig vermoeden bestaat van een medische of verpleegkundige fout met betrekking tot het overlijden, de overledene voor de wegneming van organen niet in aanmerking kan komen.
Wat de wegneming bij levenden betreft, is het essentieel dat de geneesheer de meest volledige informatie verstrekt aan de toekomstige donor.
Los van de wettelijke bepalingen blijft voor de geneesheer de deontologische regel gelden dat voor elke ingreep de toestemming van de minderjarige patiënt vereist is vanaf het ogenblik dat deze over voldoende onderscheidingsvermogen beschikt om een gewichtige beslissing te nemen. Het is duidelijk dat de geestelijke rijpheid van elke donor geval per geval moet worden geëvalueerd en hiervoor geen meer precieze richtlijn kan worden gegeven.
De Nationale Raad van de Orde der geneesheren dringt aan op een nauwkeurige naleving van al deze richtlijnen door het medisch corps en hoopt aldus zowel de transplantatie te bevorderen als misbruiken op dat punt te voorkomen.