![]()
Diagnostiek
Samenstelling bloed
Samenstelling urine
DIAGNOSTIEK
Anamnese en lichamelijk onderzoek vormen de klassieke basis van de medische diagnostiek. Toch doen verreweg de meeste wetenschappelijke en technische ontwikkelingen zich voor in de zogenaamde 'aanvullende' diagnostiek. Hiermee bedoelen we het gebruik van diagnostische technieken op een zekere afstand van de patiënt, waarbij materiaal of afbeeldingen afkomstig van die patiënt voorwerp zijn van onderzoek. In laboratoriumdiagnostiek zoals bloedonderzoek kan men deze groei van de 'aanvullende' diagnostiek opmerken door het aantal beschikbare testen van de naoorlogse periode (enkele tientallen) te vergelijken met schattingen van het huidige aantal (ruim duizend).
Bloed kan informatie geven over het wel en wee van een mens en is behulpzaam bij de diagnostiek. Wanneer iemand ziek is, kan dat gepaard gaan met koorts of pijn en, meer specifiek, met veranderingen in de samenstelling van de verschillende vloeistofcompartimenten van het lichaam. De voornaamste vloeistoffen zijn het extracellulaire vocht (buiten de lichaamscellen) met inbegrip van het bloedplasma, en het intracellulaire vocht (binnen de lichaamscellen). Het extracellulaire vocht geeft dankzij verschillende uitwisselingsmechanismen doorgaans een goede afspiegeling van de samenstelling van het intracellulaire vocht.
BLOED
Onderzoek van bloed kan ook de bloedelementen zélf betreffen – zoals het functioneren van rode en witte bloedcellen en bloedplaatjes. Zo kan men bij een patiënt bepalen of er voorlopercellen aanwezig zijn of het aantal witte bloedcellen tellen, teneinde na te gaan of de betrokkene een ontsteking doormaakt. Een opvallend grote toename van witte bloedcellen kan ook wijzen op een goedaardige dan wel kwaadaardige celwoekering, zoals bij leukemie. Bloedplaatjes en stollingsfactor-onderzoek zijn van belang bij afwijkingen in de bloedstolling.
Diagnostisch bloedonderzoek gaat vooraf aan bloedtransfusies en orgaantransplantaties, voor de bepaling van bloedgroepen en weefselkenmerken. Hierbij kan het afwijkingen van bloedcellen en serumeiwitten aan het licht brengen en maakt het de bepaling van genetische eigenschappen mogelijk. Daarbij gaat het om de invloed van genetische kenmerken bij een transfusie, om zwangerschapsimmunisatie en de gevolgen daarvan voor het kind, om orgaan- of beenmergtransplantatie, om het verband tussen ziekte en bepaalde genetische kenmerken, om vaderschapsonderzoek, enzovoort
Samenstelling van bloed
Een volwassen mens heeft tussen de 5 en 6 liter bloed in zijn lichaam. Hoe zwaarder je bent, hoe meer bloed je hebt en hoe harder het hart moet werken om het rond te pompen.
Bloed is stroperig en rood. Het bestaat uit een vast gedeelte (rode en witte bloedcellen en bloedplaatjes) en een vloeibaar gedeelte (bloedplasma).
Rode bloedcellen geven het bloed zijn rode kleur. Zonder rode bloedcellen zou het bloed geelachtig zijn. Het belangrijkste wat rode bloedcellen doen is zuurstof vervoeren: van de longen naar de organen. Hoe doen ze dat? Rode bloedcellen zitten vol met een rode stof die hemoglobine heet. Die stof kan zuurstof uit de longen 'vastpakken' en weer 'loslaten'.
In de organen ruilen de rode bloedcellen zuurstof in voor koolzuur. Koolzuur is een afvalstof die ontstaat nadat de organen de zuurstof gebruikt hebben. Koolzuur is dus overbodig en gaat met het bloed naar de longen waar het wordt uitgeademd.
Witte bloedcellen zijn het leger van ons lichaam. Witte bloedcellen verdedigen ons tegen indringers zoals bacteriën. Bovendien ruimen witte bloedcellen dode cellen in het lichaam op.
Bloedplaatjes zijn nodig om het bloed te laten stollen. Wanneer moet bloed stollen? Als je een wond hebt, bijvoorbeeld. Als het bloed niet zou stollen, zou je leegbloeden. Als bloedplaatjes bij een wondje komen, vallen ze uit elkaar en de speciale stolstof die erin zit, begint te werken. Het bloed stolt dan.
Bloedplasma is het vloeibare gedeelte van het bloed. Er zitten zouten en eiwitten in, die je niet kunt missen. Ook zitten er stollingsstoffen in het plasma (net als in bloedplaatjes). Die zorgen ervoor dat je bloed stolt, als je een wondje hebt. En er zitten afweerstoffen in het plasma tegen virussen en bacteriën : immunoglobulinen
Wanneer je wat vers bloed in een reageerbuisje giet, gaat het langzaam stollen. Er ontstaat een vaste, donkere massa te vergelijken met het roofje. Deze massa heet bloedkoek en de bovendrijvende geelachtige vloeistof noemen we het serum.
Vers bloed kunnen we ook onstolbaar maken door een chemische stof toe te voegen en goed te schudden.
Nadat we dit onstolbaar bloed hebben gecentrifugeerd zien we dat een donkere vaste massa (C4) zich heeft afgescheiden van een bovendrijvende licht gekleurde vloeistof (C3). Deze vloeistof verschilt van het serum doordat ze ook nog het fibrinogeen bevat. We noemen ze plasma.
URINE
ongeveer 200 ml ochtendurine
Kleur van de urine
Gewoonlijk amber- tot strogeel, afhankelijk van de geloosde hoeveelheid urine. Hoe geringer de hoeveelheid, hoe donkerder de kleur. Deze typische kleur wordt veroorzaakt door kleurstoffen (pigmenten) die uiteindelijk afkomstig zijn van hemoglobine uit de rode bloedcellen. Uit de hemoglobine worden in de lever galkleurstoffen gevormd, die komen in de darm terecht, waarvan er een deel het bloed binnendringen, die dan via de nieren met de urine uit het lichaam verwijderd worden.
Geur
Karakteristieke geur. In een urinestaal dat blijft staan, ontstaat een ammoniakgeur door de vorming van ammoniumcarbonaat.
Zuurtegraad: Ph
Gewoonlijk is de urine lichtjes zuur. Waarden tussen pH 4,5 en 8 werden gemeten.
Dichtheid
De dichtheid (soortelijke massa) is de massa per volume-eenheid, uitgedrukt in kilogram/liter of gram/cm³. De dichtheid van zuiver water is 1 en hoe meer stoffen in het water opgelost zijn, hoe hoger de dichtheid.
Bij volwassenen ligt de dichtheid van urine tussen 1,002 en 1,035. Voor ochtendurine ligt de dichtheid rond 1,020, terwijl die voor urine tijdens de dag of na het drinken van veel vocht lager zal liggen.
Bij benadering wordt de dichtheid van urine voor 20 % beïnvloed door ureum, voor 25 % door NaCl en verder door andere in urine aanwezige stoffen, zoals kalium-, ammonium-, fosfaat- en sulfaat-ionen.
In het klinische laboratoriumonderzoek wordt de dichtheid veelal bepaald met een bijzonder teststrookje, waarvoor slechts 1 tot 5 ml urine nodig is, of met een refractometer, waarvoor een druppel urine voldoende is. Men kan ook de urine-osmolaliteit meten, die zoals de dichtheid eveneens een maat is voor de hoeveelheid in urine opgeloste stoffen. Deze factor wordt gemeten met een osmometer, waarvoor 0,50 ml urine voldoende is.
Hoeveelheid
Bij een volwassene gemiddeld 1,5 liter per dag, vooral afhankelijk van de hoeveelheid opgenomen vloeistof en waterhoudend voedsel en van de mate van transpiratie.
Opsporen van glucose, eiwitten en vitamine C
Alleen in sommige ziektetoestanden wordt er glucose of eiwitten in de urine aangetroffen. Glucose in de urine kan een symptoom zijn van de gevaarlijke suikerziekte (diabetes). De aanwezigheid van eiwitten in de urine, bijvoorbeeld albumine, wijst op een ontsteking van de haarvatenkluwens in de nierlichaampjes van de nieren. Voor een snelle opsporing van glucose en eiwitten worden testpapiertjes gebruikt, maar in klinische laboratoria worden uiteraard nauwkeuriger en meer verfijnde methoden aangewend die vele tientallen malen gevoeliger zijn.
Vitamine C is een wateroplosbare vitamine en komt in de urine voor als zeer veel vitamine via de mond opgenomen wordt, hetzij met het voedsel, hetzij in voedingssupplementen.
Voor het vaststellen van een ziekelijk proces in de nier of urinewegen is de beoordeling van het bezinksel of de neerslag van grote betekenis.
Dit wordt verzameld door de urine te centrifugeren. (10 minuten op 3000 toeren/minuut) in een conische reageerbuis.
De belangrijkste afwijking betreffen het aantal rode en witte bloedlichaampjes. Alle andere bestanddelen zijn slechts bij uitzondering van belang.
Bij een normaal bezinksel worden met behulp van de microscoop per gezichtsveld enkele rode en witte bloedlichaampjes gevonden (<3/veld vergroting 400 X). Wanneer echter meer dan drie cellen per gezichtsveld worden waargenomen moet rekening worden gehouden met een ziekelijke aandoening van de nieren of urinewegen.
Rode bloedlichaampjes treft men aan bij een bloeding, vooral bij nierstenen, bij een nier-of blaasgezwel maar ook na een zware fysische inspanning. Indien wij een combinatie hebben van rode- en witte bloedlichaampjes kan dit een ontsteking als oorzaak hebben. Alleen witte bloedlichaampjes komen voor bij ontsteking processen van het nierbekken of urineblaas. In verse urine wijzen bacteriën samen met witte bloedlichaampjes op een ontstekingsproces. Verse urine is normaal steriel.
Onder normale omstandigheden komen de vaste stoffen in de urine in de volgende verhoudingen voor:
| Stof |
verhouding per liter |
Ureum |
15 |
Natrium |
4 |
Chloor |
4 |
Sulfaten |
1.4 |
Fosfaten |
1.3 |
Kalium |
1.6 |
Creatinine |
1 |
Urinezuur |
0.4 |
Calcium |
0.15 |
Ammoniak |
0.4 |