De eerste succesvolle orgaantransplantatie ooit was een niertransplantatie bij een eeneiige tweeling. De ingreep werd in 1954 in Boston uitgevoerd door dr. Murray. Aangezien het weefsel van beide broers precies overeenkwam, kon er geen afstoting optreden. Doordat de medische wetenschap toen nog onvoldoende inzicht had in het menselijke afweersysteem, waren transplantatiepogingen bij niet-tweelingen destijds gedoemd om te mislukken.
In 1963 vonden de eerste long- en levertransplantatie plaats, gevolgd door de eerste pancreastransplantatie in 1966. Een jaar later, in 1967, mocht de Zuid-Afrikaanse hartchirurg Christiaan Barnard de eerste harttransplantatie op zijn naam schrijven. De ingreep kon op een enorme mediabelangstelling rekenen.
Maar ook in die periode waren de transplantaties nog weinig succesvol. De ingeplante organen werden meestal snel afgestoten, zodat het met de overleving pover gesteld was. Van de eerste honderd harttransplantatiepatiënten overleden er zestig binnen de week. De gemiddelde overlevingsduur bedroeg dertig dagen.
De transplantatiegeneeskunde kwam pas echt goed uit de startblokken toen de medische wereld het mechanisme van afstoting beter ging begrijpen en zowel de chirurgische technieken als de medicatie beter werden. Heel belangrijk was de ontdekking van Cyclosporine in 1972, een geneesmiddel dat de afstotingsverschijnselen onderdrukt. Toen dit begin jaren tachtig op de markt kwam, stegen de overlevingskansen van de getransplanteerden aanzienlijk en zat het transplantatiegebeuren definitief in de lift.
In het UZA ging het niertransplantatieprogramma al binnen de maand na de opening in 1979 van start. In 1989 mocht het ziekenhuis de eerste nierpancreastransplantatie in Vlaanderen op zijn naam schrijven. Met harttransplantaties en longtransplantaties werd respectievelijk in 1994 en 1997 gestart. Als laatste kwam er in 2001 het levertransplantatieprogramma bij.