HOME
 

 

 

De immunosuppressie waardoor het transplantaat kan overleven, beperkt in aanzienlijke mate de afweermechanismen van het organisme tegen infecties. Deze infecties variëren naargelang van de termijn na de ingreep.

VROEGTIJDIGE INFECTIES
Net zoals bij alle andere geopereerde patiënten kunnen bij getransplanteerden infecties ontstaan, meestal bacteriële, zoals wond- of luchtwegeninfecties die met antibiotica worden bestreden. 
Het medisch-chirurgisch team moet bijzonder waakzaam zijn en indien nodig moeten adequate onderzoeken (wondonderzoek, radiografie, scanner) uitgevoerd worden.
Bovendien worden meestal bijzondere voorzorgsmaatregelen aanbevolen, zoals het dragen van een masker buiten de kamer, het frequent spoelen van de mond met een ontsmettingsmiddel en het verbod om leidingwater te drinken.

LATERE INFECTIES
Na de eerste weken volgend op de transplantatie kunnen infecties optreden die typisch zijn voor personen met een verminderde immuniteit.
De infecties kunnen worden veroorzaakt door bacteriën (meestal in de longen, de bronchieën of de urinewegen), door virussen, door protozoa (pneumocystose) of ook schimmels.
Niet-bacteriële infecties worden vaak gekenmerkt door een pijnloos begin (griepachtig beeld, koorts, droog hoestje, ademnood, ... ). Deze symptomen moeten de getransplanteerde patiënt er toe aanzetten om een huisarts of hun behandelende nefroloog te raadplegen, zelfs als ze nog vaag zijn. Zodoende kunnen de nodige onderzoeken uitgevoerd worden met het oog op een precieze diagnose van de infectie.
Thans zijn bijzonder doeltreffende behandelingen van bacteriën, virussen, schimmels of parasieten beschikbaar, die efficiënter zijn naarmate ze eerder worden begonnen.

Vele antibiotica verdragen zich slecht met cyclosporine. Begin geen enkele behandeling zonder overleg met uw transplantatie-artsen!

Sommige infectiekiemen bevinden zich reeds sedert jaren vóór de transplantatie in het organisme van de getransplanteerde en kunnen worden gereactiveerd door de ingestelde immunosuppressie. De meest frequente infectiekiemen zijn de virussen van de herpesgroep.
Herpes labialis ("koortsblaas") is een latente infectie die bij gezonde patiënten opnieuw verschijnt in de vorm van blaasjes en korstjes op de lippen of in de mond in geval van een andere infectie of gewoon bij vermoeidheid. Ook bij getransplanteerden kan de immunosuppressie dit virus "wakker maken".
Ook herpes zoster, het virus verantwoordelijk voor waterpokken bij kinderen, blijft vaak sluimerend aanwezig. De immunosuppressie kan dit virus wekken, dat zich dan uit in de vorm van gordelroos. De infectie verspreidt zich langs een zenuw, meestal ter hoogte van de thorax of het abdomen en geeft aanleiding tot een gordel van pijnlijke blaasjes op de huid. Na enkele dagen veranderen deze blaasjes in korstjes, wat aan de genezing van de letsels voorafgaat. De antivirale behandeling (Zovirax) is des te doeltreffender naarmate ze vroegtijdiger ingesteld wordt.
Andere virussen van dezelfde groep (EBV = virus van mononucleose infectiosa, CMV = cytomegalovirus) kunnen ook gereactiveerd worden en zijn meestal zonder ernstige gevolgen. Soms kunnen ze echter zeldzame en ernstige complicaties veroorzaken.
Elke getransplanteerde kan bovendien een nieuwe infectie oplopen door contact met een besmette persoon. Hoewel banale virussen (verkoudheid, ... ) zelden problemen opleveren, is het niet aan te raden in contact te komen met een persoon getroffen door een ernstige virusinfectie (waterpokken, mazelen, mononucleose, CMV, griep, ... ) waartegen U vóór Uw transplantatie niet geïmmuniseerd was door zelf de ziekte door te maken. In geval van twijfel moet U contact opnemen met de huisarts of het referentiecentrum. Zij beschikken over de resultaten van het serologische onderzoek en kunnen dus nagaan of U reeds antilichamen opgebouwd heeft die U beschermen tegen deze ziekten.

N.B. De immunosuppressie kan eveneens het verschijnen van wratten (papillomavirus) over het gehele lichaam, het mondslijmvlies en de genitale organen stimuleren. Dat is niet alleen vanuit esthetisch oogpunt maar ook op sociaal vlak hinderlijk. Bovendien kunnen zij, afhankelijk van hun aantal en de ligging, een functionele handicap veroorzaken, zoals wratten op de voetzool. Het is dus verstandig om een beroep te doen op de diverse beschikbare middelen (raadpleeg een dermatoloog!) om deze - overigens goedaardige - huidcomplicaties tot een minimum te beperken.

VACCINATIES
Voor een getransplanteerde is het absoluut af te raden om gevaccineerd te worden met een levend verzwakt vaccin (Sabin voor polio, de vaccins tegen mazelen, rode hond, bof, pokken, ... ). De getransplanteerde loopt immers het risico om bij de vaccinatie daadwerkelijk de ziekte te krijgen.
Het risico is daarentegen onbestaand bij geïnactiveerde vaccins (Imovax voor polio) en de vaccins geproduceerd uit virusextracten of bacteriën (hepatitis B, influenza, pneumokokken, ... ). Vaccinatie tegen griep (influenza) en tegen pneumokokken wordt zelfs aanbevolen. 

De indicatie van een vaccin moet steeds besproken worden met de huisarts of met het medisch-chirurgisch team van het referentiecentrum.

In enkele zeldzame indicaties kan de injectie van antilichamen (gammaglobulines) de ondoeltreffendheid van de vaccins compenseren.

 

Copyright © 2003-2011 Erna's Diabetes-transplantatie - Disclaimer - Webmaster -