Osteoporose is een aandoening die gekenmerkt wordt door een vermindering van de botmassa en het optreden van fracturen. Botverlies bij de getransplanteerde is voornamelijk te wijten aan de toediening van cortisone ter preventie van afstoting van het transplantaat. Andere factoren spelen ook een belangrijke rol, zoals langdurige immobiliteit, vroegtijdige menopauze (vermindering van het oestrogeengehalte in het bloed) zonder hormonale substitutie, tabaks- en alcoholgebruik. Het risico van botfractuur hangt af van de al dan niet aanwezigheid van deze verschillende risicofactoren vóór de transplantatie.
Cortisone beïnvloedt het botmetabolisme door de opname van calcium te beletten (dat echter een onontbeerlijk element voor de botvorming is) en door de botafbraak te stimuleren.
Botdensitometrie is een onderzoek dat het mogelijk maakt de botmassa te beoordelen. (zie botdensitometrie)
Afhankelijk van de resultaten zullen preventieve of zelfs curatieve maatregelen aanbevolen worden.
Cortisone wordt in de laagst mogelijke dosis toegediend. De toediening wordt stopgezet wanneer de evolutie van uw transplantaat dat toelaat. Lichamelijke oefening en spiertraining worden aangemoedigd. De calciumtoevoer via de voeding gebeurt in de vorm van zuivelprodukten en magere kaas. Aan de vrouwen zal men na de menopauze oestrogenen voorschrijven indien er geen gynecologische contra-indicaties zijn.
Vanuit curatief standpunt kan men via bifosfonaten en calcitonine het botverlies afremmen terwijl fluor in lage dosis de botvorming stimuleert.