HOME
 

 

FRIEDA VAN WIJCK

FRIEDA VAN WIJCK
JOURNALISTE

In mijn kennissenkring lopen alle mogelijke ziektes rond, van astmalijders tot mensen met de ziekte van Crohn. Ik heb vrienden met heupprotheses en er waart wat epilepsie in mijn familie. Ik ken mensen met hele uitzon­derlijke aandoeningen, waarvoor professoren in Amerika werden geconsulteerd, en zelfs de lijdensweg van kankerpatiënten is mij niet vreemd. Maar ik ken geen transplantatie­patiënten.
Ja: wel mensen die wachten op een transplan­tatie, en dan altijd op een nier. Maar iemand met een ruilhart of een nieuw oog? Nog nooit in mijn kennissenkring opgedoken. Transplantaties, en dan heb ik het gemakshalve over het vervangen van organen: het blijft nog altijd ietwat onwezenlijk. Chirurgen die kwalijke dingen zoals kankergezwellen wegsnijden, en de zaak opnieuw dichtnaaien, dat vinden we stilaan gewoon. Maar echt onderdelen vervangen? Het is toch een beetje schepper spelen, en het blijft met een vreemd soort sensatie verbonden. Ook al is het als techniek intussen niet ingewikkelder dan een keizersnede of een vinger weer aannaaien.

Herinnert u zich nog de ophef rond die eerste harttransplantatie nu bijna 40 jaar geleden? De  naam  van de  patiënt  ben  ik intussen vergeten, maar de chirurg in kwestie, Christian Barnard, werd prompt  een  wereldvedette. Dat de dokter er goed uitzag hielp ook natuurlijk. En dat hij gesignaleerd werd in het gezelschap van Sophia Loren en Gina Lollobrigida zorgde voor extra belangstelling, ook in bladen die niet in medische onderwerpen deden.
Het ziekenhuis in Kaapstad, waar het allemaal gebeurde heette "Grote Schuur". Gezien tegen het licht van de Afrikaner Boerengeschiedenis was dat een aanvaardbare naam voor een ziekenhuis in Zuid-Afrika, maar dat woordje "schuur" gaf de hele  onderneming toch een bijklank van primitief geknutsel en geëxperimenteer in de marge. Temeer toen bleek dat dokter Barnard ook apenharten gebruikte om patiënten in leven te houden. De heisa die toen ontstond rond de hele problematiek – Mocht dat wel? Werden hier geen grenzen overschreden, natuurwetten overtreden? - zorgde ervoor dat velen een ietwat rare verhouding met transplantaties kregen.
Je kan niet anders dan toege­ven dat het een fantastische wetenschappelijke doorbraak was, die transplantatie, ook al leefde die eerste patiënt na zijn operatie nog geen 20 dagen. Dat levens kunnen gered worden door gezonde onderdelen van pas overleden mensen te gebruiken, kan je toch alleen maar toejuichen? Wat heeft een dode man immers aan zijn nieren?
Toch zijn er maar weinig mensen die zonder aarzelen laten weten dat hun hart of lever eruit mag bij hun dood. Dat merkte je aan het geringe aanbod toen Belgen nog expliciet toelating moesten geven voor het wegnemen van hun organen na overlijden. Over ons gebrek aan enthousiasme bij het wegschenken van organen, daar zijn we meestal niet erg duidelijk over. Willen we diep in ons hart, toch graag helemaal gaaf het graf in? Of is het gewoon omdat een mens niet graag dingen afstaat? Vooral als het om zijn eigen vlees en bloed gaat?
En nu ik er zo over doordenk: hoe zou het zijn voor de "getransplanteerden", de patiënten met het ruilonderdeel? Want misschien is er niet alleen aarzeling aan de donorkant. Ook aan de ontvangende kant vraagt men zich vermoedelijk een en ander af. Zit in al die overgeplante organen nog genetisch materiaal van de donor bijvoorbeeld? En wordt de ontvanger dan een beetje die andere mens? Misschien wil een nierpatiënt in dat geval ook graag weten wat voor iemand die donor was?
En een vervanghart of een nieuwe lever voelen zich duidelijk niet altijd lekker bij de nieuwe eigenaar. Er zijn de zogenaamde "afstotingsverschijnselen", waarvoor patiënten met bijvoorbeeld een ruilhart, hun leven lang medicijnen moeten innemen.
Dus is ook niet gelijk welk hart geschikt voor gelijk welke patiënt. Nu neem ik aan dat je als zwaarzieke vragende partij geen extra voorwaarden gaat stellen in de trant van "Neen liever een maatje kleiner, pa heeft altijd al een veel te groot hart gehad. Er blijft nu al bijna niets meer over van ons erfdeel". En uiteraard wil je liever een jong hart dan een amechtige oudere versie, als je de keuze zou hebben. Maar ik betwijfel of iemand in kritieke toestand dat soort overwegingen maakt. Of er de kans toe krijgt. Er is gewoon een groot tekort aan donororganen.
Allerlei campagnes of overheidsmaatregelen helpen daar niet aan. Want diep binnenin zitten we namelijk allemaal met dezelfde vrees: dat onszelf of een geliefde een hart, oog of nier wordt uitgedraaid voor we helemaal honderd procent morsdood zijn. Jaja, er zijn wel schermpjes waarop de zigzaglijn ineens in een vlakke lijn verandert, en apparaten waarop het piepen in een fluittoon overgaat, en dat zou betekenen dat het afgelopen is. Maar toch: zo'n apparaat kan zich vergissen. Of fout afgesteld zijn. Of te vroeg afgaan?
We blijven twijfelen. Want diep in ons hart geloven we namelijk dat we onsterfelijk zijn.

© Universitair Ziekenhuis Antwerpen

Copyright © 2003-2011 Erna's Diabetes-transplantatie - Disclaimer - Webmaster -